Zintuigen, zo werken ze

Proeven (smaakzin)

Proeven doen we via de smaakpapillen, die zich op de bovenkant van de tong bevinden. Op de tong vang je een smaak op: we kennen de basissmaken zoet, zout, bitter, zuur en hartig (umami). In de mondholte worden de temperatuur en de structuur van wat je eet of drinkt opgemerkt. Deze prikkels worden omgezet in signalen en getransporteerd naar de hersenen.

Wat je proeft, wordt dankzij de open verbinding tussen mond en neus voor een groot deel ook bepaald door wat je ruikt. Als je je neus dichtknijpt en dan een ui en een appel eet, proef je nauwelijks verschil. Als je je neus weer loslaat, proef je het wel.

Minder eten door combinatie smaakstoffen

Wat kan er misgaan?

Smaak kan door bepaalde ziektes en het gebruik van sommige medicijnen afnemen, veranderen of verdwijnen. In veel gevallen is daar wel iets aan te doen nadat de oorzaak van de smaakstoornis door de huisarts of een KNO-arts is vastgesteld: smaakzintuigen hebben een groot herstellend vermogen.

Smaakverwachting

FEIT: Je proeft wat je verwacht te proeven. Alleen als de smaakverwachting en de smaaksensatie heel ver uit elkaar liggen – als je bijvoorbeeld denkt dat je melk gaat drinken en het blijkt karnemelk te zijn – proef je ook daadwerkelijk iets anders dan je verwacht.